Lopersknie

Iliotibiaal band syndroom / runnersknee / hardlopersknie/ iliotibiaal frictie syndroom

De lopersknie is de tweede meest voorkomende hardloopblessure. Het is de hoofdoorzaak van pijnklachten aan de buitenzijde van de knie bij hardlopers. De oorzaak zit in het herhaaldelijk buigen en strekken van de knie. Om die reden wordt deze klacht ook veelvuldig bij fietsers gezien.

 

Een andere veelgebruikte benaming voor deze blessure is iliotibiaal band syndroom. Lopersknie of runnersknee wordt ook vaak gebruikt voor het patellofemoraal pijnsyndroom (PFPS) . Maar de pijnlocatie is anders bij een lopersknie dan bij PFPS.

Klachten

De meest duidelijke klacht bij een lopersknie is pijn aan de buitenzijde van de knie. Deze pijn is afhankelijk van de beweging en kan zich uitstrekken naar boven en/of onder de knie. De pijn kan variëren al ontstaat de pijn meestal na enkele kilometers hardlopen of fietsen. In de beginfase verdwijnt deze pijn snel wanneer er rust genomen wordt.

De klachten beginnen meestal sluimerend, en nemen toe naarmate de tijdsduur van de activiteit toeneemt. Het gebied waar de pijn gevoeld wordt kan ook toenemen. Aanvankelijk zal de pijn zich beperken tot het hardlopen of fietsen zelf. Zonder behandeling kunnen de pijnklachten zich ook voordoen bij andere activiteiten zoals traplopen of het opstaan uit een stoel.

Symptomen samengevat:

  • Pijn aan de buitenzijde van de knie.
  • Pijn is afhankelijk van de activiteit.
  • Pijn bij het drukken op de buitenzijde van de knie.
  • Uitstralende pijn naar het onderbeen of bovenbeen.

Anatomie

Bij een lopersknie is de zogenaamde tractus iliotibialis de aangedane structuur.  Dit is een peesplaat die wordt gevormd door de spier aan de buitenzijde van het bovenbeen en de grote bilspier.  Deze loopt vanaf de bil via de buitenkant van het bovenbeen naar de buitenzijde van de knie. De aanhechting is net onder de knie op het scheenbeen. Doordat de buitenzijde van de knie hierbij het breedste gedeelte is, kan op deze plek irritatie ontstaan. Voornamelijk bij herhaalde buigbewegingen zoals hardlopen en fietsen.

Bij personen met een lopersknie lijkt er een ontstekingsproces gaande van het weefsel dat zich tussen de peesplaat en het bovenbeen bevindt. Dit ontstoken weefsel is in veel gevallen het vetweefsel, maar onderzoek toont aan dat bij verschillende individuen ook ander weefsel ontstekingsverschijnselen kan vertonen, zoals de slijmbeurs en het gewrichtskapsel.

Oorzaak

Een lopersknie is een aandoening (blessure) die het gevolg is van overbelasting. Bijvoorbeeld door een te snelle of te intensieve trainingsopbouw. De aandoening en pijn ontstaat door overmatige wrijving van de pees aan de buitenkant van de knie tijdens het herhaaldelijk buigen en strekken van de knie onder een hoek van zo’n 30 graden.

Wetenschappelijk is men het nog niet eens over de precieze oorzaak. Individuele factoren spelen hierbij een rol. Zo worden eigenschappen als geslacht, beenlengte, een vergrote kop van het dijbeen, verkorte heupspieren, verminderde spierkracht van de heupspieren of de mate van beweeglijkheid van de voet in verband gebracht met een lopesknie.

Biomechanische factoren zouden ook oorzakelijk kunnen zijn voor deze klachten. Dit uitgangspunt wordt onderbouwd doordat er biomechanische verschillen worden gezien tussen personen met klachten aan de buitenzijde van de knie en zonder deze klachten. Biomechanisch wil zeggen, hoe het lichaam beweegt. Voornamelijk worden deze verschillen waargenomen in de romp-, bekken- en heupbewegingen.

De biomechanische factoren die als oorzaak kunnen dienen bij ITBS zijn:

  • Teveel zijwaartsbuiging van de romp tijdens de standfase.
  • Naar binnen draaien van de knie tijdens de standfase.
  • Verminderde neuromusculaire coördinatie.
  • Vergrote bewegingsuitslag van de heup (naar binnen toe).
  • Beperkte heupmobiliteit in rotatie en zijwaartse bewegingen.
  • Verminderde bekkenstabiliteit.
  • Vergrote beweeglijkheid van de voet.
  • Verminderde beweeglijkheid van de voet.

Zoals misschien opvalt spreken enkele factoren elkaar tegen. Een te grote beweeglijkheid kan problemen geven, maar ook te weinig beweeglijkheid. Hierdoor is het een complex probleem dat een gedegen fysiotherapeutisch onderzoek vergt en goed inzicht in het beweegpatroon om een juiste diagnose te stellen.

Diagnose

De diagnose wordt gesteld aan de hand van het patiëntverhaal en het lichamelijk onderzoek. Vooral de waargenomen pijnklachten en pijn bij druk op de buitenkant van de knie zijn veelbetekenend.

Aanvullend onderzoek zoals een MRI-scan, een röntgenfoto of echografisch onderzoek hebben geen meerwaarde bij de diagnosestelling van een lopersknie. Tijdens een MRI of echografisch onderzoek wordt er in veel gevallen namelijk geen verandering van weefsel gezien. Dit terwijl er wel daadwerkelijk hevige klachten aanwezig kunnen zijn. Vermoedelijk komt dit doordat pas na lange tijd verandering in het weefsel op deze locatie zichtbaar is. Aanvullend onderzoek kan wel gebruikt worden om andere aandoeningen bij twijfel uit te sluiten. Ook kan aanvullend onderzoek ingezet worden bij verdenking van anatomische afwijkingen van de kop van het dijbeen.

Naast de diagnosestelling wordt een lichamelijk onderzoek uitgevoerd om te onderzoeken welke (risico)factoren oorzakelijk ten grondslag kunnen liggen aan de klachten. Doordat hierover nog geen consistentie is en er veel verschillen tussen individuen zijn is het lichamelijk onderzoek heel persoonsafhankelijk.

Bij het lichamelijk onderzoek wordt er gekeken naar de houding en de stand van de voeten, de enkels, het bekken en de romp. Daarnaast bestaat het lichamelijk onderzoek uit testen voor de beweeglijkheid, spierlengte en spierkracht. Vervolgens wordt er een dynamisch onderzoek uitgevoerd wat kan bestaan uit een loop-, fiets- of sportanalyse en verschillende actieve tests om te kijken hoe er bewogen wordt. Tijdens het onderzoek wordt er voornamelijk gekeken naar de coördinatie, stabilisatie en het beweegpatroon van de complete sportbeweging en specifiekere deelbewegingen van bijvoorbeeld de heup of de romp.

Op basis van de bevindingen van het onderzoek wordt er een behandelplan opgesteld dat zich richt op de behandelbare grootheden en de afwijkingen die bij de patiënt gevonden zijn.

Behandeling

De behandeling van een lopersknie is voornamelijk gericht op het herstel van het weefsel rondom de buitenzijde van de knie. Dit kan door volledige rust, maar vaak is relatieve rust beter. Dit wil zeggen dat een sporter niet de bewegingen mag uitvoeren die de pijn oproepen, maar wel andere activiteiten zoals zwemmen of krachttraining. De beweging stimuleert de doorbloeding, wat het herstelproces bevordert.

De fysiotherapeutische behandeling zal naast het verminderen en/of veranderen van het activiteitenpatroon bestaan uit het behandelen van de punten die naar voren zijn gekomen in het lichamelijk onderzoek die behandeld kunnen worden doormiddel van mobilisatietechnieken of oefentherapie. Eventuele standsafwijkingen in de voet of enkel kunnen in samenwerking met een podotherapeut behandeld worden.

De volgende punten kunnen behandeld worden:

  • Mobiliteitsbeperkingen van de gewrichten; door middel van mobiliteitstechnieken.
  • Verkorte spieren rondom de heup; door middel van mobilisatie- en rekkingstechnieken.
  • Instabiliteit van het bekken, de heup en de enkel; door middel van stabiliteitstraining.
  • Neuromusculaire controle van bewegingen (het juist aanspannen van de juiste spieren op het juiste moment); doormiddel van training.

De zogenaamde ‘ketenbeweging’ speelt een belangrijke rol. Met ‘keten’ wordt bedoeld; de gehele beweging van de wervelkolom, romp, bekken, heupen, knieën, enkels en voet. Tijdens de behandeling wordt vaak de gehele keten getraind en wordt er niet alleen aandacht besteed aan de pijnlijke locatie.

Eventuele voorgeschreven ontstekingsremmers kunnen in de eerste fase de pijn verminderen. Als deze medicijnen geen vermindering van pijnklachten geven werken ze vaak contra-effectief. Vooral bij chronische (langdurige) klachten is dit het geval. Eventuele injecties met ontstekingsremmers wordt niet geadviseerd door de risico’s van deze injectie en de vaak geringe of geen positieve effecten op een lopersknie.